Geboorteplanning in de dierentuin
Terug

Geboorteplanning in de dierentuin

donderdag, 26 april 2018
Geboorteplanning in de dierentuin

Slechts enkele decennia geleden was voortplanting van veel diersoorten in de dierentuin meer uitzondering dan regel. Men was enorm blij met elke cheeta, elke gorilla en elke ringstaartmaki die het levenslicht zag. Inmiddels wordt door middel van internationale fokprogramma’s bij meer dan driehonderd soorten dieren de voortplanting van dierentuinpopulaties gecoördineerd. Niet alleen wordt vaak de geboorte beperkt, maar soms ook gestimuleerd (neushoorn). De verantwoordelijke coördinator bepaalt onder meer welke individuen met elkaar mogen fokken. Men wil zo weinig mogelijk jongen geboren te laten worden die moeilijk zijn uit te plaatsen bij andere EAZA-dierentuinen. Daarom komt het ook voor dat de aanwijzing van de coördinator luidt: “Deze individuen mogen op dit moment geen jongen voortbrengen.” Maar hoe ga je dit in de praktijk voor elkaar krijgen?

Voor altijd

Als besloten is dat een bepaald dier voor de rest van zijn leven niet meer mag voortplanten, ligt een sterilisatie voor de hand. Daarbij worden tijdens een operatieve ingreep de eileiders of de zaadleiders onderbroken of geblokkeerd. Een sterilisatie voorkomt voortplanting zonder gevolgen voor de hormoonhuishouding of het bronstgedrag. Dus ook een gesteriliseerd vrouwtje wordt bronstig, ook een gesteriliseerd mannetje imponeert en verleidt een vrouwtje en paart ermee. Een castratie, dus het verwijderen van testikels of eierstokken, wordt bij dierentuindieren, in tegenstelling tot huisdieren, maar zelden toegepast. Castratie leidt tot sterk verminderde aanmaak van testosteron of oestrogeen, met allerlei ongewenste gevolgen. Een gecastreerde leeuw raakt zijn manen kwijt, een ‘banteng-os’ krijgt de lichtbruine kleur van de vrouwtjes en een gecastreerd hert krijgt een afwijkend gewei (pruikengewei). Daarnaast verandert het gedrag van het betreffende dier. Bij huiskaters, reuen of konijnenmannetjes is dit juist één van de redenen voor een castratie: niet meer sproeien en minder vechtgedrag met andere mannetjes zijn in dat geval juist gewenste bijwerkingen! Slechts in enkele gevallen wil men het gedrag van met name mannetjesdieren in dierentuinen ook op een dergelijke manier beïnvloeden. Zo is er een handvol jonge gorillamannetjes in Europese dierentuinen gecastreerd om uit te zoeken hoe deze dieren zich sociaal ontwikkelen. Ze worden door de castratie geen zilverrug en tonen het daarbij passende ‘haantjesgedrag’ niet. De vraag is of ze daardoor op een prettige manier in een gemengde gorillagroep kunnen leven. Bij diersoorten die een haremstructuur kennen, zou castratie van mannetjes een mogelijke manier kunnen zijn om het natuurlijke ‘overschot’ aan mannetjes in dierentuinen op een diervriendelijke manier te managen. Er worden immers evenveel mannetjes als vrouwtjes geboren, maar er zijn minder mannen nodig.

Tijdelijke oplossingen

In veel gevallen is het vanuit het fokprogramma wenselijk dat bepaalde dieren slechts tijdelijk onvruchtbaar worden. Interessant genoeg lijkt de hormoonhuishouding van allerlei zoogdieren aardig op elkaar. Daardoor kunnen bij apen anticonceptiemiddelen worden toegepast die voor mensen zijn uitgevonden. Bij hoefdieren kan men teruggrijpen op enkele middelen waarmee ervaringen zijn opgedaan bij landbouwhuisdieren; bij roofdieren op anticonceptiemiddelen die de dierenarts normaliter voor hond en kat gebruikt.

Spuiten of slikken?

Bij vrouwtjes mensapen werkt de orale anticonceptiepil in principe prima. Mensapen willen nog wel eens wat achterdochtig zijn bij medicijnen die in voedsel zijn verstopt. Maar de pil in een lekkernij zoals een stukje banaan gaat er wel in. Het is natuurlijk wel zaak dat de verzorger oplet dat alleen de juiste apenvrouwtjes de pil krijgen en dat dit stukje voedsel niet wordt afgepakt door een ander, of wordt doorgegeven aan een andere aap! Al met al best wel bewerkelijk dus. Als een vrouwtje voor langere tijd niet mag voortplanten, wordt voor een ander anticonceptiemiddel gekozen. In dat geval krijgt de aap onder narcose een kunststofstaafje (Implanon) onder de huid geïmplanteerd, dat gedurende ongeveer drie jaar geleidelijk hormonen afgeeft. Net als bij mensen is zo’n Implanon-staafje echter na drie jaar niet altijd voor 100% uitgewerkt en het kan wat langer duren voordat een vrouwtje daarna weer drachtig wordt. Het moet dan eventueel ook verwijderd worden en al dan niet vervangen worden.

Geboortebeperking is niet alleen een vrouwenzaak!

Lange tijd mikten (dieren-)artsen bij anticonceptie op hormoonniveau meer op de vrouwtjes dan op de mannetjes. Het is eenvoudiger om het rijpen van één eicel te voorkomen dan honderden miljoenen zaadcelletjes onklaar te maken. Toch is hier de laatste paar jaar verandering in gekomen. Bij hoefdieren kan met een driemaandelijkse injectie ervoor worden gezorgd dat de hormoonaansturing vanuit de hypofyse geremd wordt. De testosteronaanmaak wordt minder, de testikels worden kleiner, de geslachtsdrift verdwijnt en de zaadcelproductie valt stil. Qua effect lijkt deze injectie dus een beetje op een castratie, maar dan wel reversibel! Bij onze giraffefokman, die volgens de aanbeveling van het fokprogramma niet meer aan de bak mag, wordt momenteel dit anticonceptiemiddel toegepast. Dit middel werkt ook bij vrouwelijke dieren. Deze methode is wel erg bewerkelijk en na enkele injecties weet het dier precies wanneer de drie maanden verlopen zijn en hij of zij weer aan de beurt is.

Niet alle dieren ‘aan de pil’

Niet bij alle diersoorten lukt anticonceptie even eenvoudig, veilig en foutloos. Geboortebeperking is daarom een terugkomend thema bij veel congressen van dierentuinmedewerkers. Hier valt nog veel te leren en te onderzoeken! Er zijn geen medicijnen die specifiek voor diertuindieren ontwikkeld en gemaakt worden. Het is soms ‘trial and error’. Verder is het opvoeden van jongen voor alle vogels en zoogdieren die een intensieve broedzorg kennen een perfecte aanleiding om veel natuurlijk gedrag te ontplooien. Weken-, maanden-, of zelfs jarenlang zijn de vrouwtjes en soms ook de vaders met de opvoeding van hun jongen in de weer. Voortplanting in een groep helemaal stoppen, kan grote invloed hebben op het gedrag van alle groepsleden. Bij diersoorten die geen of weinig tijd in de opvoeding van hun jongen stoppen zoals reptielen, de meeste vissen of vlinders, speelt het door geboortebeperking ontnemen van de mogelijkheid om jongen op te voeden uiteraard minder. Maar ook het verzamelen van reptieleneieren en deze niet uit laten komen, valt natuurlijk onder geboortebeperking. Net als het verzamelen van eitjes of jonge rupsen, als de vlinders zich al te enthousiast voortplanten. Als er qua voortplanting op de rem moet worden getrapt, zoekt een dierentuin altijd de meest passende en ethisch meest verantwoorde manier om dat te bereiken.

Reacties


Meer nieuws


Op leven en dood

Op leven en dood

vrijdag, 18 mei 2018

Half december 2017 ging het plotseling flink mis in het leeuwenverblijf. De mannetjesleeuw joeg achter één van de drie vrouwtjes aan, viel haar aan en beet haar dood.  In dit artikel volgen verdere voorbeelden van het doden van soortgenoten bij zoogdieren en wordt uiteengezet of en hoe een dierentuin deze kan voorkomen. 

Lees meer

We gebruiken cookies voor een optimale beleving van deze site.

Akkoord Privacy Statement